
Het kasteel & de sterren
Er waren eens twee kleine broertjes, Lucas en Leo.
Niet zomaar twee broertjes… Twee dromers, twee ontdekkers.
Tweelinghartjes die al vóór hun geboorte luisterden naar de sterren.
Elke avond, wanneer de wereld stil werd en de maan haar zilveren licht over de daken strooide, verscheen boven hun bed een papieren vliegtuigje.
Geen gewoon vliegtuigje. Het was gevouwen uit de mooiste dromen.
Uit verhalen van mama en uit de warme handen van papa.
Uit lachjes, hoop en kleine stukjes moed.
“Zijn jullie klaar?”, fluisterde de maan vanuit zijn sterrenhemel naar beneden.
En Lucas en Leo klommen zachtjes in het papieren vliegtuigje.
Voorzichtig steeg het op. Hoger dan de huizen en de kerktorens.
Boven de slapende vogels op de daken van de stad.
Onder hen kronkelde een klein wegje door een wonderlijke wereld.
“Waar gaan we naartoe?” vroeg Leo.
“Naar alles wat jullie ooit zullen durven dromen”, knipoogde de maan.
Het vliegtuigje maakte zijn eerste landing aan het grote blauwe kasteel.
Daar brandden duizend kleine lichtjes achter de ramen.
Voor de poort zat een vos. Zijn vacht glansde koperkleurig in het maanlicht en rond zijn nek hing een oude gouden sleutel aan een dun koordje.
Zijn ogen fonkelden alsof hij al duizend verhalen kende. “Welkom, kleine reizigers,” zei de vos lief. “In dit kasteel bewaren we geen schatten van goud… maar schatten van verbeelding.”
Lucas keek nieuwsgierig rond en overal waar hij keek begonnen kaarsen te branden.
Leo tikte voorzichtig tegen een oude klok aan de ingang van de toren.
Vreemd genoeg begon ook de piano in de balzaal vanzelf rustig prachtige muziek te spelen.
“Wat gebeurt er allemaal?” vroeg Lucas. “Dat is fantasie”, glimlachte de lieve vos.
“Dan leer je kijken naar wat anderen nog niet zien. Dan worden sterren wegen en worden wolken kastelen. En zo verandert angst in avontuur.”
Boven hen twinkelden de sterren op hun zotst.
“Kijk maar eens goed naar boven vanavond”, fluisterde de kasteelportier:
“Deze nacht doen de sterren onnozel en de maan is een pladijs. Ze gaan nergens heen, maar zijn net als jullie ook op reis. Wonderlijk mooi hoe fantasie ons overal meeneemt.”
Lucas begreep het niet helemaal, maar Leo lachte zacht.
Soms hoef je een droom niet te begrijpen om die echt te voelen.
De maan zakte langzaam wat lager aan de hemel en fluisterde zachtjes: “Kom, de nacht is nog jong. Er wachten nog eilanden van wolken, slapende draken, verborgen bruggen en bomen waarin herinneringen groeien.”
En opnieuw steeg hun papieren vliegtuigje op. Verder de nacht in. Verder het leven in.
Samen, lepeltjesgewijs…