
Samen in het bootje
Die nacht was de lucht diepblauw. Alsof iemand de hemel met inkt had beschilderd en daarna kleine lichtgevende sterren had uitgestrooid.
Lucas en Leo lagen dicht tegen elkaar onder hun dekentje. Plots hoorden ze zacht gekraak.
Niet van de vloer of de deur, maar van papier. Aan het voeteneinde van hun bedje dobberde een klein wit papieren bootje.
“Een vliegtuigje?” fluisterde Leo slaperig. “Neen”, glimlachte de maan vanachter het raam.
“Vanavond reizen jullie over het water.”
Lucas stapte als eerste in het bootje. Leo duwde zachtjes af. Langzaam begon het papieren bootje te varen. Niet op een gewone rivier, maar op een levenskanaal. Een rivier die overal tegelijk naartoe stroomde: naar herinneringen, naar dromen, naar later… Wauw!
Langs de oever zagen ze kleine huisjes met warme lichtjes. “Daar!” riep Leo plots. Tussen de bomen dook hun eigen huis op. Het licht op de bovenverdieping brandde en mama en papa stonden aan het raam te kijken. Niet verdrietig of bezorgd, maar wel zoals mensen kijken naar iets waar ze heel veel van houden.
Het bootje voer verder. De straatjes werden smaller. De bruggen ouder. Het water begon zacht te zingen tegen de stenen muren. “Waar zijn we nu?” vroeg Lucas. In een stad die gebouwd is op dromen en water,” antwoordde de maan. “Een plek waar mensen leren verdwalen om zichzelf terug te vinden.”
Een viool speelde ergens in de verte. En plots zagen ze een bekende beer naar hen wuiven op een oude stenen brug. “Dag jongens!” riep Winnie the Pooh. “Jullie varen al flink.”
Een beetje verder zat een piepklein wit konijntje aan de rand van het water. Terwijl het bootje dichterbij kwam werd het witte konijn groter en groter. Tot het bijna even groot was als een huis. Lucas keek verbaasd. “Hoe kan dat nu?”
Winnie glimlachte. “Omdat sommige dingen groter worden wanneer je ze écht durft te bekijken.”
“Zoals wat?” vroeg Leo. “Zoals dromen, vriendschap, moed en liefde”, antwoordde Winnie.
Even werd het stil. Alleen het water kabbelde nog zacht tegen het papieren bootje.
Toen boog Winnie zich over de brug naar voren en fluisterde: “jullie zijn samen zo moedig, sterk en slim, vergeet dat nooit, vriendjes.”
Lucas en Leo keken naar elkaar. Zonder iets te zeggen, begrepen ze dat ze nooit alleen zouden varen. Niet op rustige rivieren, niet in donkere nachten en niet tussen grote wilde golven.
Want zolang ze samen in het bootje zitten zal elke reis een beetje minder spannend zijn.
Ergens, diep in de nacht, fluisterde de maan lief en zacht:
“Vaar maar verder jongens, ontdek en verwonder.”